Het Oog 

Hoofdstuk 7; Gezichtszin. Licht.

Tussen licht en duisternis. Kleurenspectrum. Het oog is door het licht, voor het licht gevormd. Dynamiek van ontstaan van kleuren en stemmingen. Innerlijke strijd tussen licht en duisternis. Kleur bekennen. Complementariteit. Zintuig voor de eigen ziel. Abstracte schilderkunst. Clair – obscuur. Schaarste aan duisternis. Het sluiten van de ogen. Gezichtsbedrog. Objectiviteit en subjectiviteit; rede en gevoel; stemming en rationaliteit; waarheid en illusie. Spelwerkelijkheid. Verlichting. Fotoshoppen. Hulpmiddelen en prothesen. De VAR. Gezichtsherkenning.  Culturele illusies in gezichtsherkenning. Portretkunst. Privacy. Gezichtsherkenning, macht en controle. Klassieke schoonheid. The Dark Side of the Moon. Selfies. Zichtbare gezondheid. Liefde op het eerste gezicht. Helderziendheid. Ouderdomsverziendheid. Verlichte Wijsheid en Wijze Verlichting. De innerlijke verwerking van het oogverblindende.

Dat is misschien wel het betoverende en het verleidelijke van de ogen van een ander; we ‘zien’ in de ander het licht, de stemmingen, de gemoedstoestanden en de schoonheid van zowel onszelf als de omringende lichtwereld.


 

Onze stemmingen en gemoedstoestanden ontstaan op dezelfde manier als de kleuren in de natuur en dat is de reden waarom kleuren zo diep doorwerken in onze ziel.

rothko.jpg

Vooral wanneer we naar abstracte schilderkunst kijken, valt de betekenis van wat het oog ziet, vooralsnog weg. Dan kijken we pas écht en dan ervaren we wat kijken dus eigenlijk is; de innerlijke waarneming van het spel tussen licht en donker; niet meer en niet minder. Het beeld is zichzelf en wordt door ons letterlijk en volledig in zijn pure verschijning gezien en vooral; gevoeld. Er valt niets te begrijpen of te interpreteren; het licht, de kleuren zijn de betekenis.

Rothko stelt ons in staat om het pure kijken te oefenen; de ervaring van kleur te ondergaan.

 

Het gezichtsbedrog danken we aan het feit dat we heel goed in staat zijn om te bedenken wat we eigenlijk niet zien, maar tegelijkertijd maar wat graag willen zien. We willen zowel betoverd worden én die betovering begrijpen.

 

Sinds de Verlichting hebben we het ‘licht’ aangezet in de zin dat we ons bestaan, onze leefwereld voornamelijk zijn gaan inrichten voor het oog.

 

Gezichtsherkenning is een belangrijke voorwaarde voor de bevestiging van elkaars bestaan en tegelijkertijd vertelt het ons hoe we elkaar ‘zien’; hoe we elkaar lezen, begrijpen en al dan niet accepteren en herkennen.

 

We spreken van ‘zwarte en witte mensen’, maar wie werkelijk kijkt zal er achter komen dat er geen enkele witte en geen enkele zwarte mens op de wereld rondloopt; de mensheid kent een slechts een aantal kleuren die in zijn geheel een monochroom palet laat zien waar juist het wit en zwart in ontbreekt. Schijn bedriegt en dat zouden we, als het de medemenselijkheid betreft, ernstig ter harte moeten nemen.

 

Het oog stelt ons de vraag in hoeverre ons zelfbeeld belangrijker is dan onze zelfkennis’ en of de uiterlijke verschijning in verhouding staat tot ons innerlijk zielenleven.

 

Veel ‘afval’ bestaat omdat we het uiterlijk ervan niet ‘mooi’ genoeg vinden.

 

Helderziendheid is niet iets mystieks, maar het resultaat van de scholing van onze zintuigen.